Wesentest

In het verleden werden de mentale kenmerken van onze fokdieren vaak onvoldoende beschreven. Als maatregel om de mentale eigenschappen van onze honden op middellange tot lange termijn te verbeteren, heeft de Bondsvergadering het verplicht gesteld dat alle Duitse Herders met een nestdag vanaf 01.07.2017 een karaktertest(WB) moeten ondergaan als onderdeel van de fokerkenning voor ons ras. 

Met de invoering van de ZTP hebben wij nu de unieke mogelijkheid om alle kwaliteitskenmerken van de hond in een databank op te slaan en deze in de toekomst ter beschikking te stellen van de fokkers.

Met de WB/ZAP worden pieken in de negatieve zin uitgefilterd en bijzonder positieve honden worden benadrukt. 

Met de invoering van het ZAP (WB, AD en ZAP-werkdeel) wil de Vereniging bereiken dat iedere hondeneigenaar reeds in de socialisatie- en inprentingsfase adequaat met zijn viervoeter omgaat en ervoor zorgt dat zijn hond niets wordt onthouden van wat hij van nature nodig heeft voor een gezonde ontwikkeling van zijn gedrag en aard. Tegelijkertijd mag echter van de hond niet worden verwacht dat hij iets onnatuurlijks doet dat de ontwikkeling van zijn natuur zou kunnen schaden. 

In de nu gestandaardiseerde karaktertest worden de gebieden onbevangenheidsproef, sociaal gedrag, gevoeligheid voor lawaai, motoriek, spel- en prooidrift/gedrag onder stress en basisaard getest en beschreven.

 

 

Onbevangenheidsproef

1. ID controle

De geleider meldt zich met zijn/haar hond voor de chipcontrole

2. Controle van gebit

Het gebit wordt gecontroleerd, maar dit wordt niet geregistreerd in het scorebord. Het gaat hier om het gedrag van de hond tijdens de controle .Meten op platform De schofthoogte en diepte van de borst van de hond worden gecontroleerd, maar worden niet geregistreerd op het scorebord. Het gaat hier om het gedrag van de hond tijdens de controle. (Bij reuen is er ook een testikelcontrole.

3. Relatie tussen hond en geleider

De geleider loopt op de alleenstaande assistent af die op ongeveer 15 m afstand staat, lijnt de hond op commando aan en beweegt nonchalant met zijn/haar hond. Hoortekens om de hond te roepen zijn toegestaan. Hier wordt de band tussen geleider en hond geregistreerd.

Sociaal gedrag 

4. Relatie tussen hond en geleider

De geleider loopt op de alleenstaande assistent af die op ongeveer 15 m afstand staat, lijnt de hond op commando aan en beweegt nonchalant met zijn/haar hond. Hoortekens om de hond te roepen zijn toegestaan. Hier wordt de band tussen geleider en hond geregistreerd.

5. Gedrag in een groep met mensen

De geleider overhandigt de aangelijnde hond over aan de assistent waarna de geleider wegloopt achter een groep van minstens 8 mensen. De assistent haalt het lijntje van de hond af en laat het los. De hond  moet vrolijk en op een directe weg naar zijn/haar geleider toe door de groep mensen heen. De geleider loopt daarna met de hond losjes en nonchalant met de vrijlopende hond door de groep heen. Hier wordt het gedrag van de hond naar de groep mensen en geleider geregistreerd.

6. Ontmoeting met een vreemde hond

De geleider loopt met aangelijnde hond, op ca 3 meter afstand, twee keer langs een aangelijnde vreemde hond. Hier wordt het gedrag van de hond en geleider naar de vreemde hond geregistreerd.

Gevoeligheid voor lawaai

7. Kettingzaag zonder zwaard

De geleider gaat op een aangewezen positie met de aangelijnde hond stilstaan. De assistent loopt op ca 4 meter afstand cirkels om de hond en geleider heen met een kettingzaag die op verschillende snelheden draait. De kettingzaag wordt daarna uitgezet en op de grond gelegd, zodat de geleider met aangelijnde hond naar de bron van het geluid kan lopen. Hier wordt het gedrag van de hond ten opzichte van de bron van het geluid geregistreerd.

8. ‘Ketting’ geluidsbron

De geleider gaat met aangelijnde hond op ca 5 meter afstand van een metalen plaat staan. (De leiband moet losjes hangen) De hond moet naar de keurmeester kijken, die de ketting op de metalen plaat laat vallen. De geleider en hond moeten na het laten vallen van de ketting direct naar de bron van het geluid. Hier wordt het gedrag van de hond ten opzichte van de geluidsbron geregistreerd.

9. Schotproef

De geleider moet met aangelijnde hond naar de aangewezen positie toe en daar stil staan. De assistent vuurt 2 schoten af met een 6mm alarmpistool met tussenpozen van 5 seconden. Hier wordt het gedrag van de hond ten opzichte van de geluidsbron geregistreerd.

Motoriek

10. Wiebeltafel

De geleider moet zijn aangelijnde hond uitlaten op een wiebeltafel, die bestaat uit een pallet op een gladde vloer. De hond moet vrij op de pallet staan met een losjes hangende lijn. De assistent beweegt de pallet met zijn/haar voeten. Hier wordt de motoriek van de hond geregistreerd.

11. Speeldrive op wiebeltafel

Vanuit oefening 10 wordt door de assistent een speeltje aan de hond aangeboden (deze is vooraf oefening 10 aangeboden aan de assistent). De assistent wiebelt de tafel op dezelfde manier als tijdens de vorige oefening. Hier wordt geregistreerd hoe de motoriek van de hond is tijdens het bezighouden met de speeltje op de wiebeltafel.

12. Klimmen / hoogtegevoeligheid

De geleider laat de aangelijnde hond met behulp van een trapje een reeks tafels oplopen. Als de hond het einde heeft bereikt, draait die zich om en gaat terug. De hond mag er afspringen, of eraf getild worden. 

5 tafels worden L-vormig opgesteld
Totale lengte, zonder trap ca 11 meter
De tafels zijn ca. 70 cm breed
Er moet een gat van ca. 10 cm tussen elke tafel zijn.

Hier wordt de motoriek van de hond geregistreerd en zijn/haar gevoeligheid voor hoogtes.

Spel- en prooidrift

13. Spelen met begeleider

De geleider loopt met aangelijnde hond naar een aangewezen positie. De assistent geeft het speeltje af aan de geleider die daarna de hond los laat en gaat spelen met de hond. Hier wordt intensiteit van speeldrift geregistreerd.

14. Spelen met de assistent

Na de vorige oefening wordt het speeltje overgegooid naar de assistent, waarna de assistent verder speelt met de hond. (De assistent motiveert de hond daartoe). Tijdens het spel kan de assistent het speeltje matig blokkeren. Hierna geeft de assistent de hond de gelegenheid in het object te bijten en laat het daarna aan de hond over. Hier wordt de intensiteit van het spel met de hond geregistreerd.

15. Finder’s Will

De aangelijnde hond wordt op een aangewezen plek aan de assistent overhandigd. De geleider loopt met het speeltje weg, plaatst die onder een kist en laat het daar liggen. De geleider haalt de hond op bij de assistent en laat de hond los. Mondelinge hulp naar de hond is niet toegestaan. Hier wordt geregistreerd hoe de intensiteit van de hond is om het speeltje te bereiken.

16. Bewegingszekerheid op een gladde ondergrond

De geleider loopt met aangelijnde hond naar clubhuis met een stevige en gladde vloerbedekking (B.v. tegelvloer of laminaat). Op teken van de keurmeester loopt de geleider met de hond door de ruimte en wordt er geluid geproduceerd door een tinnen bakje op de vloer te laten vallen. Hier wordt de bewegingsveiligheid, onbevreesdheid en motoriek van de hond geregistreerd.

17. Spel- en prooidrift op een gladde ondergrond

Aansluitend aan de vorige oefening wordt in dezelfde ruimte het speeltje van de hond naar een hoek gegooid. De geleider laat de hond los op commando van de assistent. De hond moet na het vinden van het speeltje dit terug brengen naar de geleider die het dan overhandigt aan de assistent. De assistent speelt met de hond die door de geleider op dat moment wordt vastgehouden. Daarna legt de assistent het speeltje op een niet vrij toegankelijke plek neer en zodra de assistent terug is laat de geleider de hond los. Hier wordt de intensiteit van de spel- en prooidrift van de hond naar het speeltje geregistreerd en of de hond het verstopte speeltje gaat zoeken.

Basisaard

18. Gedrag bij eenzaamheid

De geleider moet met aangelijnde hond naar een aangewezen plek gaan (niet op het oefenterrein), zijn/haar hond aan een anderhalf meter lange lijn vastbinden en het terrein verlaten. De geleider moet uit het zicht van de hond blijven en er mogen zich geen andere personen in het gezichtsveld van de hond bevinden. Nadat de hond tenminste 5 minuten alleen is geweest loopt de keurmeester neutraal naar de hond toe, passeert de hond en keert daarna terug naar zijn/haar uitgangspositie. De geleider moet op de commando de hond oppakken en weer aanlijnen. Hier wordt het gedrag van de alleen gelaten hond geregistreerd.

 

Na de laatste oefening wordt gelijk de gehele beoordeling, van het gedrag van de hond, openbaar vertoond. Als het in het belang van de hond is beëindigd documenteert de keurmeester dit op het beoordelingsformulier en dient dit bij de SV hoofdkantoor in.